Stadsvroedvrouw Anna van Hensbeek (1750-1808) laat zich niet voor het karretje van het Goudse stadsbestuur spannen. Op niet mis te verstane wijze maakt zij duidelijk dat zij de belangen van ‘haar’ vrouwen in barensnood voorrang geeft boven de stedelijke financiële belangen. Gouda is verplicht alimentatie te betalen voor buitenechtelijke kinderen en eist van vroedvrouwen dat zij ongehuwde moeders tijdens de bevalling vragen naar het vaderschap. De sociaal bewogen Anna weigert dat bij herhaling en wordt uiteindelijk uit haar ambt gezet.
Stadsdienaren in de heel-, genees- en verloskunde
Om de armen behoorlijke medische zorg te bieden en de risico´s op volksziekten te beperken stelt Gouda al in de vijftiende eeuw genees- en heelkundigen aan. In 1512 wordt voor het eerst ook een ‘vroetwijf’ genoemd. Vanaf 1518 worden zij voor hun vak 'geëxamineerd'. De slecht betaalde vroedvrouwen zijn gevreesd. Zij worden beticht van onvermogen, grofheid, geldzucht, drankzucht, valse concurrentie, ongemelde afwezigheid en hoererij. De angst van de kraamvrouwen is invoelbaar, omdat baren een grote bedreiging voor een vrouwen- en kinderleven is. Veel vrouwen sterven in het kraambed, vaak samen met hun kind.
Sociaal bewogen
Anna van Hensbeek wordt in 1750 in Gouda geboren. Zij trouwt in 1777 in Bodegraven en werkt daar enige tijd als vroedvrouw. Als zij in 1788 terugkeert naar Gouda wil zij ook hier als vroedvrouw werken. Na enig geharrewar over haar rechten wordt ze verder opgeleid door chirurgijn en stadsvroedmeester Cornelis Bleuland. Zij slaagt in 1794 voor het Goudse examen en wordt toegelaten als vroedvrouw voor het vierde kwartier. Haar vak als vroedvrouw verstaat zij goed. In 1796 verlost Anna een ongehuwde moeder-in-barensnood, terwijl deze de naam van de vader weigert te noemen. Dit ter vermijding van risico voor moeder en kind, aldus Anna. De stad Gouda is verplicht alimentatie te betalen voor buitenechtelijke kinderen. Nu Anna niet voldoet aan de eis van de gemeente om de naam van de vader op te eisen bij de ongehuwde moeder krijgt zij een boete van 25 gulden.
Vroedvrouwenbordje
Anna weigert op principiële gronden de haar opgelegde boete te betalen. Het stadsbestuur ontslaat haar en verbiedt haar de verloskunde nog langer in Gouda uit te oefenen. Anna besluit zich dan buiten de stadspoorten te vestigen als ‘Vroedvrouw voor Buyte’. In de buitenwijken van Gouda bouwt zij een bloeiende praktijk op. Veel vrouwen verblijven speciaal voor de bevalling een poosje buiten de stad. Het stadsbestuur rest weinig anders dan Anna - zij het tandenknarsend - weer als vroedvrouw in de stad toe te laten. Wanneer Anna in 1798 opnieuw weigert de vaderschapsvraag te stellen, moet zij haar uithangbordje inleveren en wordt ze definitief uit het ambt gezet. Zij vat haar werk niet meer op en sterft armlastig in 1808. Anderhalve eeuw na haar ontslag wordt het vroedvrouwenbordje teruggevonden op de zolder van het stadhuis.
De vaderschapskwestie
Het is niet duidelijk of in die tijd de strenge eis van het Goudse stadsbestuur gebruikelijk is. Ook elders helpen vroedvrouwen wellicht mee om het vaderschap vast te stellen door te getuigen ‘wie de jonggeborene aannam of de kraamvrouw als eijgene huisvrouw gekust of gezoend hadde’. Het Leidse stadsbestuur echter legt al in 1710 met een verordening vast dat vroedvrouwen de naam van de vader niet meer mogen vragen tijdens de baring. In de vroedvrouwengelofte staat namelijk ‘dat zij alle barende vrouwen gehuwd of ongehuwd assistentie zullen verlenen’. Mogelijk heeft Anna van Hensbeek bij haar eerdere werk in Bodegraven met deze van de Goudse afwijkende zienswijze te maken gehad. Sinds de invoering van de Code Napoleon in 1804 behoort de vaderschapsactie tegen de verwekkers van buitenechtelijke kinderen definitief tot het verleden.